Kamerlid
De status van de kaderwet
Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, er is al heel wat commotie geweest over de kaderwet. Ondertussen zijn er de adviezen van de Raad van State en van de GBA. Er blijken nog wat haken en ogen te zijn met betrekking tot de uitvoerbaarheid van de wet en er zijn nog ingrepen en verduidelijkingen nodig. Zo zou het wetsontwerp moeten worden opgesplitst in twee aparte wetsontwerpen. Ook wordt er omstandig ingegaan op de proportionaliteit van supplementenplafonds die door de Raad van State niet helemaal kan worden ingeschat. Er wordt dan ook aangegeven dat er best in het dispositief wordt opgenomen dat de maatregel alleen bedoeld kan zijn om uitwassen en excessen in de tariefpraktijken tegen te gaan, wat bovendien ook gebaseerd moet zijn op concreet cijfermateriaal. Het is alleszins van groot belang dat er een objectivering komt van de kosten van behandelingen in de verschillende disciplines, zodat er een correct tarief op kan worden gekleefd en een aanvaardbare marge kan worden vastgelegd. Die noodzakelijke oefening is wellicht niet evident voor de beroepsorganisaties, aangezien het een enorm scala aan behandelingen en nomenclaturen betreft, maar ze is wel noodzakelijk om vervolgens een supplementenplafond te kunnen motiveren. Aangezien de verschillende sectoren tegen 31 juli 2027 voorstellen van supplementenplafonds moeten aanleveren, wil ik u de volgende vragen stellen. Kunt u aangeven in welke fase de nomenclatuurhervorming voor de verschillende beroepen in de zorg en disciplines in kwestie zich bevindt? Zal de nomenclatuurhervorming afgerond zijn vóór de deadline van 31 juli 2027? Wat als de nomenclatuurhervorming tegen dan nog niet is afgerond? Wat is uw reactie op de adviezen van de Raad van State en de GBA? Zal aan de verschillende opmerkingen worden tegemoetgekomen? Ik heb nog een bijkomende vraag over de reactie van de zorgverstrekkers die hun standpunt over de kaderwet kenbaar hebben gemaakt via de evenredigheidstoets. Hoeveel reacties kwamen er vanwege de zorgverstrekkers? Kunt u die eventueel opsplitsen per beroepsgroep? Kan er eventueel al een overzicht worden gegeven van de strekking van de standpunten? Op welke aspecten kwam er het meeste feedback? Wat is het vervolgtraject van deze wetgeving? Ten slotte, in welke mate wordt er rekening gehouden met de reacties van de zorgverstrekkers?
Minister Frank Vandenbroucke: Collega's, ik verwacht dat we hier heel binnenkort het ontwerp van kaderwet zullen kunnen bespreken. Ik wil dus niet te veel vooruitlopen op die bespreking. Zoals u zei, hebben wij ondertussen het advies van de Raad van State ontvangen, evenals adviezen van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Wij hebben ook ruim 6.000 reacties ontvangen in het kader van de proportionaliteitstoets. Het is vanzelfsprekend dat een wetsontwerp na een eerste lezing in de ministerraad wordt aangepast aan de adviezen die werden gevraagd naar aanleiding van de tweede lezing. Bij elk ontwerp zijn er in meer of mindere mate opmerkingen. Dit is ook de reden waarom een voorontwerp, de ontvangen adviezen en het uiteindelijk aangepaste ontwerp deel uitmaken van de stukken die u zult ontvangen wanneer dit ingediend wordt in het Parlement. U kunt dan in detail lezen wat het eerste stuk was, wat de reactie van de Raad van State was, hoe wij daarop hebben gereageerd en hoe het ontwerp er in tweede lezing uitziet. Ik kan wel enkele zaken toelichten, omdat de vraag gesteld wordt, maar zonder exhaustief te zijn. We kunnen er binnenkort over discussiëren met de tekst in de hand. Er was een vormelijke bedenking van de Raad van State. Het ontwerp is in twee delen gesplitst, omdat de bepalingen met betrekking tot sanctiemogelijkheden van de colleges van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle volgens ons bestel optioneel bicameraal behandeld moeten worden. Dat wil zeggen dat de Senaat de mogelijkheid moet hebben om dat te evoceren. Het is dan ook aangewezen dat het ontwerp op die basis in twee delen wordt gesplitst. Dat hebben wij gedaan. Ten tweede hebben we een proportionaliteitstoets uitgevoerd. Ik zal daar dadelijk meer over zeggen. Dat hangt inderdaad ook samen met het advies van de Raad van State. Dat betreft het vormelijke aspect. Inhoudelijk heeft de Raad van State ons verzocht om op verschillende punten omstandiger te motiveren waarom bepaalde bepalingen zijn opgenomen. De Raad van State deed enkele zeer waardevolle suggesties, bijvoorbeeld over de ereloonsupplementen, de publicatie van sancties ten aanzien van verstrekkers – dat kwam eigenlijk vanuit de Gegevensbeschermingsautoriteit – en over de contouren van een partiële conventie. De Gegevensbeschermingsautoriteit gaf zeer zinvolle suggesties met betrekking tot het luik over het IMA, waardoor we ook dat grondig konden herwerken. Er zijn ook bijkomende vragen gesteld over supplementen. Het vastleggen van plafonds voor supplementen op medische prestaties moet worden bekeken parallel met de hervorming van de nomenclatuur van medische prestaties en de officiële tarieven zelf. Die hervorming bevindt zich momenteel in een technische uitwerkingsfase. Er zal worden gesproken over een professioneel gedeelte en een kostendekkend gedeelte. Zodra dat technisch is uitgewerkt, volgt, zoals in het regeerakkoord staat, overleg met alle stakeholders, in het bijzonder de partners in de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen. Ik hoop dat dat overleg constructief zal verlopen en zal uitmonden in een akkoord. Voor de supplementen hebben we ook een datum vastgelegd. We hebben afgesproken dat er voorstellen moeten zijn, onderhandeld binnen de verschillende commissies van het RIZIV – dat kunnen fijnmazige voorstellen zijn – tegen 31 juli. Ik wil niet vooruitlopen op een scenario waarin die hervorming niet afgeklopt raakt. De regering heeft gezegd dat zij dan zal beslissen, maar dat vind ik absoluut een second-best scenario. Om uw nieuwsgierigheid te prikkelen kan ik al zeggen dat het advies van de Raad van State over de supplementen interessant is om te lezen. De Raad van State gaat daar uitvoerig op in en maakt een alomvattende analyse, verwijzend naar eerdere uitspraken van het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof is gevat door rechtszaken over het verbod op supplementen in meerpersoonskamers en bij verhoogde tegemoetkoming. Het advies verwijst naar artikel 23 van de Grondwet, Europese regelgeving over het vrij verkeer, de vrijheid van dienstverlening, de vrije vestiging, het recht op arbeid, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden, de vrijheid van ondernemen, het gelijkheidsbeginsel en de deontologie. Dat is echt heel interessante literatuur die ik iedereen kan aanraden. Er zijn ondertussen inderdaad gegevens bijgekomen, mevrouw Eggermont. De IMAbarometer is op zichzelf niet verrassend, want dat is een jaarlijks terugkerend rapport, maar die bevestigt natuurlijk wel dat er een kader nodig is voor die ereloonsupplementen. De spreiding is enorm tussen artsen, tussen disciplines, maar ook tussen individuele artsen en tussen ziekenhuizen. Het rapport zegt dat 10 % van de artsen verantwoordelijk is voor 43 % van de ereloonsupplementen. Er zijn excessen, er is veel variatie ook en ik denk dat mensen dat niet begrijpen. Inderdaad, wij krijgen ook op ons niveau geen enkele uitleg, ondanks herhaalde vragen over waarom bepaalde ziekenhuizen zoveel meer supplementen aanrekenen dan andere. Een kader is met andere woorden nodig. De vraag aan alle organisaties van zorgverleners en mutualiteiten is om samen dat kader concreet uit te werken, tegen medio 2027. Ik denk dat we dat moeten doen. Ik denk dat dat nodig is om vele redenen. Dat is nodig om de hervorming van de nomenclatuur zin te geven, want als men over officiële tarieven begint te onderhandelen terwijl men niet weet of die echt nog een spil zijn in wat patiënten feitelijk moeten betalen, als die daar minder en minder een rol in spelen, omdat men los van de officiële tarieven eigenlijk eender wat kan doen, en hier en daar een kleine minderheid ook excessieve supplementen toevoegt, dan weet men niet waarom men eigenlijk nog over officiële tarieven onderhandelt en waarvoor die dienen. Dat is echt wel één beweging die moet gebeuren. Dat betekent dat we naast belangrijke investeringen in de gezondheidszorg ook hervormen, met de bedoeling ze betaalbaar te houden en toegankelijk. Gemakkelijk is dat niet, dat roept veel discussie op. Ik zal mij niet neerleggen bij weerstand die ertoe leidt dat we uiteindelijk moeten zeggen dat het systeem onhoudbaar is en overgenomen zou moeten worden door private verzekeraars zoals in de Verenigde Staten. Dat zou ertoe bijdragen dat zorg voor gewone mensen die niet bijkomend zijn verzekerd onbetaalbaar wordt. Ik denk dat we hier in dit land een andere keuze moeten maken. Ik kom tot de proportionaliteitstest. Er zijn ruim 6.500 reacties ontvangen binnen de gestelde termijn. De overgrote meerderheid is afkomstig van huisartsen en arts-specialisten. Die vormen samen ongeveer twee derde van alle reacties. Ook de tandartsen hebben met 10 % substantieel gereageerd. De reacties van apothekers, verpleegkundigen en klinische therapeuten vormen een bescheiden deel. Dat is enkele procenten per groep. Andere beroepscategorieën zoals klinisch psychologen, orthopedagogen, logopedisten, ziekenhuisdirecties en anderen, gaven een relatief nog kleiner aantal reacties. Er is een restcategorie 'overigen'. Dat zijn reacties die niet toegeschreven kunnen worden aan één van de bovengenoemde groepen. Soms hebben zorgverleners hun beroep niet vermeld. Er zijn ook patiënten en burgers die zich uitspraken. Dat vormt samen die overige ongeveer 10 % van de inzendingen. Uit een thematische clustering van alle geregistreerde reacties kwamen zeven hoofdthema's naar voren. Die werden telkens door een aanzienlijk aantal respondenten aangehaald: de hervorming van de begrotings- en overlegstructuren, de conventionering, de plafonnering van ereloonsupplementen, de uitbreiding van handhavingsbevoegdheden, de koppeling van persoonsgegevens en privacyzorgen, de gewijzigde rol van de ziekenfondsen en de idee dat de zogenaamde richttarieven beperkt worden tot geconventioneerde zorgverleners. Al deze thema's zijn al zeer grondig besproken tijdens negen overlegrondes die ik met de artsen- en tandartsensyndicaten en ziekenfondsen had. In dat overleg werd het voorontwerp reeds grondig bijgestuurd. Zo ligt het initiatief om een akkoord te vinden over supplementen eigenlijk bij de organisaties zelf en kunnen zij daarover onderhandelen. Daarnaast blijft ook de gedeeltelijke conventionering, dat mijns inziens een onvermijdelijk ontransparant systeem is, behouden. Er werd verduidelijkt dat het schorsen van RIZIVnummers louter en alleen betrekking heeft op zware fraude en dat deze juridische procedure onafhankelijk is gebeurt van de leidende ambtenaren van het RIZIV of de minister. Er moet een goed onderscheid worden gemaakt tussen premies die dienen voor kwaliteit en andere premies. Dat komt terug in de proportionaliteitstoets, maar dat is al zeer grondig besproken en ook aangepast tijdens het overleg. We zullen dit binnenkort gedetailleerd en uitgebreid in de Kamer kunnen bespreken. Ik hoop dat we hiervoor een politieke meerderheid zullen vinden, maar ook dat we een goed vervolg aan het overlegmodel zullen kunnen breien.
Frieda Gijbels (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister. Dat hervormingen noodzakelijk zijn, daarmee zijn we het volledig eens. Dat het regeerakkoord moet worden uitgevoerd, daarmee zijn wij het ook roerend eens, misschien tot uw teleurstelling, mevrouw De Knop. Dat ingrijpende hervormingen moeilijk zijn, daarvoor hebben wij alle begrip. Dat dit bij de zorgsector voor onrust zorgt, snappen wij heel goed. In die zin is het belangrijk dat de concrete uitwerking voor een groot deel bij de zorgverstrekkers zelf komt te liggen. Het is ook belangrijk dat er een link met de nomenclatuurhervorming wordt gemaakt, om de tarieven beter op de werkelijke kosten te kunnen afstemmen. Het is ook goed dat de voorstellen die worden aangedragen onderbouwd moeten zijn. Het is zo dat er voor het eerst in heel veel jaren opnieuw naar de kosten van de behandelingen wordt gekeken. Dat de excessen eruit moeten, daarmee zijn we het ook helemaal eens. Ik denk dat het heel goed is dat er door de Raad van State en de GBA meer verduidelijking is gevraagd. Ik denk dat dat moet zorgen voor een kleinere interpretatiemarge. Het moet ook zorgen voor iets meer vertrouwen van de zorgsector in dit wetsontwerp. Ik heb immers vernomen dat er wel degelijk is ingegaan op de opmerkingen die zijn gemaakt. Wij kijken vol vertrouwen uit naar de aangepaste versie van de kaderwet. Natuurlijk kijken we ook uit naar het parlementaire debat.
Bekijk het fragment: https://media.dekamer.be/meeting/56-019204-U1309/fragment/mvVoY2V9EjJ5n6FNVVac97py0LYbkeg-yzsroNXU9oVYNaM83f4-KaDUwSqMHAZ2ZNUrLqjIh10AsD5lwaIGudyqBd_eH_yLvwMM9NdizVI