Te weinig geld voor uw tanden

Door Frieda Gijbels op 14 augustus 2019
tandarts

Met veel aandacht heb ik het artikel gelezen dat door Luc Nijs in Doorbraak werd gepubliceerd. De titel Het mag een toontje lager, tandartsen! Tandartsen kunnen stilaan vragen wat ze willen  verraadt al dat de auteur niet erg opgezet is met de financiële gang van zaken in de tandheelkundige sector.

Zelf ben ik tandarts, meer bepaald van de subspecies tandarts-specialist in de parodontologie, en daarbovenop ben ik nog een keer kersvers federaal volksvertegenwoordiger. Omdat ook politici in het genoemd artikel een kleine veeg uit de pan krijgen, voel ik me extra geprikkeld om toch even te reageren.

Grond van waarheid

Ondanks het feit dat het artikel wat verwarrend is, zit er wel degelijk een grond van waarheid in hetgeen hij schrijft. Het is gewoon een feit dat er een toenemend aantal tandartsen is dat weigert de conventietarieven te volgen.

Er wordt echter niet ingegaan op de reden waarom tandartsen zich niet conventioneren. Het zal wel zo zijn dat sommige tandartsen zich niet conventioneren, enkel en alleen om hun rekening te zien aandikken. De meeste niet-geconventioneerde tandartsen daarentegen doen het gewoonweg omdat ze niet anders kunnen, als ze tenminste zorgen willen toedienen volgens de laatste nieuwe technieken en randvoorwaarden. Het tandheelkundig budget is immers al jaren nauwelijks gestegen, terwijl de uitgaven voor de tandarts duidelijk toegenomen zijn.

Toenemende complexiteit

De tandheelkundige zorg wordt steeds beter, doordat er vernuftigere technieken mogelijk zijn, die vaak specialistische apparatuur vereisen. Terwijl vroeger een ingewikkelde tandontsteking simpelweg behandeld werd door de tand te trekken, zijn er tegenwoordig ingewikkelde en tijdrovende behandelingen mogelijk om wortelkanalen onder een microscoop te reinigen en vullen. Niet dat dat de enige optie is, want een tand trekken kan ook nog altijd, maar patiënten die dergelijke behandeling wensen, moeten daarvoor verschillende uren uittrekken. Uiteraard heeft dergelijk individueel maatwerk ook een prijs, die helaas niet of nauwelijks door de ziekteverzekering wordt gedekt.

Als ik het dan toch even mag hebben over mijn eigen tak binnen de tandheelkunde, die van de parodontologie, dan blijkt ook daar de solidariteit haar grenzen te hebben. In de parodontologie worden tandvleesontstekingen behandeld, die – wanneer niet behandeld - in verband worden gebracht met bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, diabetes en vroeggeboorten. En toch wordt de behandeling van deze aandoening slechts zeer beperkt terugbetaald door de standaard ziekteverzekering. Wie 55 jaar is of ouder, is eraan voor de moeite en zal in zijn eigen buidel moeten tasten als hij niet wil dat zijn tandvlees verder ontsteekt en zijn tanden los komen te staan. Zo goed als geen enkele parodontoloog werkt dan ook volgens de conventietarieven, omdat de nomenclatuur ontbreekt, of omdat de conventietarieven compleet onrealistisch zijn voor de tijd die de behandelingen vragen.

Hygiëne kost ook geld

Bovendien zijn de hygiënische maatregelen de laatste jaren (in feite sinds de HIV-uitbraak in de jaren ’80) sterk vergroot. Terwijl de tandarts vroeger zonder mondmasker en handschoenen werkte en hij tussendoor op zijn gemak nog een trekje nam van zijn sigaret die in de asbak op het werktablet stond te smeulen, is zulks vandaag compleet ondenkbaar geworden. Er is heel wat (wegwerp)materiaal nodig om een hygiënisch werkvlak te creëren, hetgeen uiteraard ook een meerkost met zich meebrengt.

Het is verder niet zo dat patiënten in het ongewisse zijn over de prijs van een bepaalde behandeling, of dat zou toch niet zo mogen zijn. Het is niet meer dan deontologisch correct dat een tandarts vooraf goed bespreekt met zijn patiënt wat de te verwachten kosten zijn van een ingreep. Ik weiger mee te gaan in de toonzetting van het artikel, dat tandartsen wel lijkt af te spiegelen als rücksichtslose geldwolven, die vragen wat ze willen en er dan nog plezier in hebben ook wanneer ze de patiënt de rekening onder de neus schuiven.

Vertrouwensrelatie

Er wordt daarenboven blijkbaar nogal gemakkelijk vergeten dat een tandarts elke keer weer een persoonlijk gesprek aangaat met zijn patiënten. De basis van een tandarts-patiënt relatie is vertrouwen. Elke keer zal hij zich moeten verantwoorden, en dat is maar goed ook. Hij moet de patiënt informeren over hetgeen er scheelt, wat er aan te doen is en wat het kost. Hij moet die behandeling zelf uitvoeren of verwijzen naar een collega en hij moet er ook voor opdraaien als – ik zeg maar wat – de vulling er na een week weer uit ligt. En ook dat is niet meer dan terecht. Hij is bovendien verplicht de verschillende behandelopties naast elkaar te zetten, zodat de patiënt kan kiezen. Maar – zoals hoger al vermeld - niet al die behandelopties worden vergoed door onze sociale zekerheid. Spijtig genoeg, want daardoor zijn bepaalde behandelingen inderdaad niet voor iedereen haalbaar en betaalbaar.

Uiteraard blijft er de gevoeligheid van de (tand)arts-patiënt relatie, waarbij de (bange) patiënt afhankelijk is van de goodwill van de (tand)arts en waardoor deontologie en de rol van tuchtorganen (Ordes) mijns inziens een niet te onderschatten rol spelen in de medische wereld.

Wijkgezondheidscentra

De auteur verwijst ook nog even naar ‘volksgezondheidscentra’, waarmee hij wellicht ‘wijkgezondheidscentra’ bedoelt. Het zou dé oplossing zijn voor de betaling per prestatie, die volgens de auteur het slechtste in de zorgverstrekker naar boven haalt. Hij vermeldt er niet bij dat deze wijkgezondheidscentra de belastingbetaler meer kosten dan de reguliere zorgverstrekkers en dat de zorgverstrekkers in deze centra minder patiënten zien dan in een gewone praktijk.

Ook wanneer hij het heeft over de ‘takers’ en de ‘makers’ in de economie, lijkt hij te vergeten dat een (tand)arts niet alleen de (volks)gezondheid bevordert, maar vaak ook een werkgever is voor assistenten en verpleegkundigen.

Punt gemaakt

Ik geef hem echter wel gelijk in zijn bedenkingen over de overnames van tandartspraktijken door grote concerns, waar niet-medisch geschoolde managers de wet dicteren en waar het soms lijkt alsof tandartsen vooral moeten presteren en opbrengen binnen afgemeten tijdssloten. Tandartsen hebben zelf nog maar heel weinig in de pap te brokken in veel van deze megapraktijken, waardoor de vraag zich opdringt of het medische en zorgverstrekkende aspect nog wel centraal staan en of er geen sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid voor de tandartsen die er aan de slag zijn.

De essentie van de hele zaak is volgens mij dat de opbouw van de nomenclatuur volledig herbekeken moet worden. De meeste tand(vlees)problemen zijn te voorkomen of in een vroeg stadium te behandelen wanneer er doorgedreven preventieve acties worden ondernomen. Bewustwording van het belang van een dagelijkse grondige en geïndividualiseerde tandenpoetstechniek vanaf jonge leeftijd, voedingsadvies en regelmatige controles kunnen veel ellende en hoge facturen voorkomen. Het zwaartepunt van de nomenclatuur (behandelingen die worden terugbetaald) zou dus hier moeten liggen, zodat het aantal grote ingrepen en dure behandelingen tot een minimum wordt beperkt. De nieuwe beroepsgroep van mondhygiënisten, met een vooral preventieve en informatieve taak, kan hier een grote rol in spelen, indien er tenminste voor wordt gezorgd dat ook voor deze behandelingen terugbetaling wordt voorzien, zodat iedereen beroep kan doen op hun expertise.

Alleen op die manier zal mondzorg sociaal en betaalbaar zijn.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is